Bengawan Solo ブンガワン・ソロ

film bengawan solo

Bengawan Solo… neurie het lied en elke oudere indo herkent het meteen – of zingt spontaan mee. Het lied dat de gelijknamige Javaanse rivier bezingt, is vertolkt door artiesten als Anneke Grönloh, Sandra Reemer en Andy Tielman; geen kumpulan is denkbaar zonder dat de band het minstens twee keer heeft gespeeld. Het is de ironie van de geschiedenis dat het lied mogelijk nóg bekender is in Japan, het land van de voormalige vijand.

Bengawan Solo werd in 1940 geschreven door de toen jonge en arme krontjong muzikant Gesang Martohono. Spelend op bruiloften en partijen merkte hij dat juist dít lied aansloeg bij het publiek. En niet alleen bij Javanen, maar ook bij – de archipel was inmiddels bezet – de lokale Japanse gemeenschap. Zozeer zelfs dat het lied werd meegenomen naar Jakarta en via de radio werd uitgezonden. En zo ontstond een Indonesische versie van Lilly Marlene: het lied beroerde een snaar bij zowel Japanse soldaten als Indische Nederlanders. Na de oorlog namen beide groepen het lied mee op de boot naar het vaderland, voor beide was Bengawan Solo verbonden aan gekoesterde herinneringen aan het leven in Indonesië.

In Japan duurde het niet lang voordat een Japanse versie op de plaat werd gezet. In 1947 (volgens sommige bronnen 1948) werd het nummer een megahit in Japan onder de Amerikaanse bezetting. Terugluisterend klinkt het als Amerikaanse filmmuziek van voor de oorlog. De Indonesische herkomst, laat staan de krontjong achtergrond, is er niet in te herkennen.

Het succes kreeg een vervolg. In 1951 kwam de film Bengawan Solo (Bungawan Soro) uit. Een oriëntalistische droom: Indonesië is een pre-industrieel paradijs met palmstranden zonder moderne zaken als elektriciteit of auto’s. De Japanse officier Fukami ontmoet, het is 1945, de plaatselijke schone Sariya die niet ongevoelig blijkt voor zijn avances. Door een speling van het lot vindt hij de dood en blijft zij eenzaam achter. De acteurs en actrices zijn allen Japans, degenen die Indonesiërs voorstellen donker geschminkt, maar het is aardig dat de film tweetalig is. De Japanse soldaten spreken Japans, maar de “Indonesiërs” spreken, met zwaar Japans accent weliswaar, Indonesisch. De Indonesische taal is Japans ondertiteld (dat wil zeggen aan de rechterkant van het scherm!). De film opent met een instrumentale versie van het lied Bengawan Solo.

Nog steeds is Bengawan Solo, zowel bij jong als oud, een bekend lied in Japan. In 1991 namen Japanse oorlogsveteranen uit Indonesië het initiatief om een buste van Pak Gesang te financieren. Het staat in een eigen paviljoen op het terrein van de Kebun Binatang Jurug Solo, de dierentuin van Solo die vlak aan de rivier Bengawan Solo ligt. Naar zeggen is het niet ongewoon dat groepen Japanse toeristen hier samenkomen om het lied te zingen dat als geen ander een verbondenheid met Indonesië vertegenwoordigt: Bengawan Solo.

Buste Pak Gesang in de dierentuin van Solo.
Buste Pak Gesang in de dierentuin van Solo.

De Indische Kwestie: de Voorzitter en de Staatssecretaris

bron: JES (gemanipuleede foto)
bron: JES (gemanipuleerde foto)

Enige dagen geleden verscheen er een Open Brief van voorzitter Leo Tho Neijenhuis van BEGO (gelukkig met hoofdletters) waarin hij overweegt een klacht tegen de Nederlandse Staat in te dienen bij de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens.   “Er komt echter een moment dat er binnenin iets knapt en er geen energie meer over is om verder maar af te wachten,” zo schrijft hij. In een dergelijke gemoedstoestand is het moeilijk het hoofd koel te houden, zo blijkt.

De brief bevat de nodige slordigheden. Namen zijn verkeerd geschreven (Sticker! Vervaart!) en er wordt gerefereerd aan de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens waar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens bedoeld is. Nu zal ik dit alles de voorzitter niet nadragen – ik maak zelf ook de nodige fouten in mijn schrijven – , maar het doet wel vermoeden dat de brief haastig – te haastig en in emotie – geschreven is. Ook wil ik het niet hebben over de in de brief vermelde Japanse herstelbetalingen en de Verdelingswet van 1969- hoewel ik niet begrijp hoe “automatisch” de sprong van de amnestieregeling van 1949 naar het Overleg van Wassenaar in de jaren zestig is – het verhaal is eerder gehoord en eerder bediscussieerd.

Ik wilde het hebben over het betoog waarin die zaken zijn opgevoerd. Concluderend schrijft Neijenhuis:

“Bij dit alles ben ik mij gaan afvragen of er niet een aanklacht tegen de Nederlandse Staat voorbereid moet worden en voorgelegd aan de Europese Commissie voor de Rechten van de Mens. De opgestapelde leugens en verdraaiingen van de Nederlandse Staat, die gesteund wordt door politiek correcte, ethisch moralisten gaan veel te ver. Met ijver proberen zij de geschiedenis over hun koloniaal verleden weg te poetsen, zoals het opzettelijk vernielen en weggeven van de Indische archieven en het uit de geschiedenisboeken halen van 4 eeuwen koloniaal verleden.”

Een opmerkelijke tekst. Ten eerste is het maar de vraag of de Nederlandse Staat gelogen en zaken verdraaid heeft. Eerder in het betoog zei Neijenhuis iets anders, namelijk dat politieke partijen beloften doen die zij niet houden zodra zij regeringsmacht verwerven. Dat doen zij inderdaad. Een cynicus zou zeggen dat het eigen is aan het politieke handwerk en dat het een weinig verbazingwekkende conclusie is. Beloften aan potentiële en echte kiezers worden vaak verbroken. Het handelen van de Nederlandse Staat is echter niet gelijk aan het geroeptoeter van politici die de macht ruiken.

Er is iets anders aan de hand met de Nederlandse Staat: de overheid heeft zich altijd zeer formalistisch en legalistisch opgesteld tegenover de Indische grieven. De staat volgde de logica van recht en wet, maar gaf zich geen rekenschap van hoe dit uitpakte voor de Indische bevolkingsgroep. Zoals Luyendijk onlangs schreef over de bankensector: men handelde binnen de regels, maar de uitkomst was immoreel. Een voorbeeld is de backpay-kwestie. De Nederlandse Staat won alle aangespannen rechtszaken, maar het in de kou zetten van de voormalige Indische ambtenaren en militairen taste het rechtsgevoel aan.

Ook dat “met ijver .. wegpoetsen van hun koloniale verleden” waar Neijenhuis het over heeft, is niet wat de werkelijke pijn is. In de Canon van Nederland wordt aandacht besteed aan de VOC, aan Multatuli en aan de onafhankelijkheid van Indonesië. Lang niet genoeg aandacht volgens mij, maar het is een wereld ver weg van een sinister plan om de koloniale geschiedenis weg te poetsen. Het probleem is eigenlijk veel erger, namelijk onverschilligheid ten aanzien van de geschiedenis en de geschiedschrijving. Onverschilligheid heeft geleid tot het afstoten van de bibliotheek van het KIT, onverschilligheid was de reden waarom er geen breed nationaal historisch onderzoek naar het Nederlandse militaire optreden in Indonesië kwam.

“Politiek correcte, ethisch moralisten” als handlangers van de Nederlandse Staat… eerlijk gezegd snap ik niet precies wat Neijenhuis hiermee bedoelt, maar de term “politiek correct” is een vaste gast in het populistisch rechtse discours. Ook de manier waarop de “Nederlandse schaamte” over het koloniale verleden in zijn Open Brief verwerkt is, komt terug in betogen aan de rechterkant van het politieke spectrum. Nu mag dat allemaal, maar het is bijzonder onhandig van Neijenhuis om op deze manier het deel van het publiek dat andere maatschappelijke en politieke opvattingen heeft van je zaak te vervreemden.

Java-Post-klein

Van hetzelfde populistische laken een pak is de opmerking over het bagatelliseren van het aantal slachtoffers van de oorlog en Bersiap in Indonesië. Wie en wat zou hij daarbij op het oog hebben? De poltiek correcten met hun schaamte over het kolonialisme? Een jaar geleden schreef Neijenhuis geïrriteerd naar Java Post om Bert Immerzeel de wind van voren te geven. Ook toen stoorde hij zich aan de discussie over het aantal slachtoffers van de Bersiap. Het antwoord van Bert was en is nog steeds afdoende:

“Uw schrijven hinkt op twee gedachten: enerzijds stelt u dat dit soort discussies zinloos zijn omdat zij pijnlijk zijn voor degenen die het geweld hebben ondergaan, anderzijds draagt u daar graag uw steentje aan bij door te laten weten dat de hoge schattingen een stuk juister zijn dat de ‘officiële’ cijfers. Deze hoge schattingen vinden nog steeds geen onderbouwing (….). Onze conclusies kunnen natuurlijk altijd worden bijgesteld, echter alleen op grond van coherente en controleerbare gegevens. Alleen dáár is de geschiedenis bij gebaat.”

De voorzitter van BEGO overweegt een klacht in te dienen bij het Europese Hof van de Rechten van de Mens. Het is onduidelijk wat die klacht nu precies inhoudt: gaat het om de onderhandelingen met staatssecretaris Van Rijn of gaat het om het complex van zaken die vallen onder de Indische kwestie? Hoe dan ook: de klacht is kansloos, zoals de Voorzitter had kunnen weten. Een klacht kan pas ingediend worden als er geen rechtsmiddel meer ter beschikking is, als de Hoge Raad of de Raad van State uitspraak heeft gedaan in het nadeel van de klager. Dat is in dit geval niet aan de orde. Maar buiten dat: de Indische kwestie is niet zozeer een juridische kwestie als wel een politieke.

Het blijft gissen naar de reden waarom Neijenhuis de Open Brief heeft geschreven en waarom hij die juist nu heeft gepubliceerd. Naar mijn weten voert het Indisch Platform (IP)waar BEGO deel van uitmaakt, nog steeds gesprekken met de staatssecretaris. Twee maanden geleden schreef Voorzitter Silfraire Delhaye van het IP op zijn FB pagina: “Het is jullie niet ontgaan dat ik “radiostilte” in acht heb genomen met betrekking tot de voortgang van de “INDISCHE KWESTIE” . In overleg met staatssecretaris van Rijn, wil ik geen valse verwachtingen wekken, maar er wordt wel degelijk gewerkt achter de schermen.” Is er iets voorgevallen, dat Neijenhuis nu de publiciteit zoekt? Wat vindt trouwens het IP trouwens van de Open Brief? Of zal hierover ook “radiostilte” in acht worden genomen?

Bericht uit de kampung (1) – Pijet

De komende tijd zal ik geregeld wat schrijven over mijn ervaringen in Kaworan, een Javaanse dorpje iets ten zuiden van Surakarta dat ik vrij goed ken. Het zullen slechts bescheiden, pretentieloze inkijkjes zijn in het Javaanse leven. Niets hoogdravends: Kaworan kent geen oogverblindend natuurschoon, opmerkelijke architectuur of andere bezienswaardigheden en het dorp is nog het beste te omschrijven als onbeduidend: verscholen achter een bomenrij zou je er op de motorfiets zo voorbij rijden.

Toegang tot Kaworan
Toegang tot Kaworan

In Kaworan woont Bu Dwi. Ze is klein van stuk. De vrouwen in het dorp zijn al niet lang, maar zij is nog een kop kleiner – in de schemering lijkt ze eerder een kind dan een oude vrouw. Haar rechterhand is verlamd, haar arm ligt als opgevouwen tegen haar lichaam. Haar moeder schrok toen ze zwanger was van een blaffende hond, zo wordt verteld, maar ik denk eerder dat het te danken is aan polio in haar jeugd. Naast haar handicap is haar huid bijna zwart – geen man heeft ooit haar het hof gemaakt.

Tenminste zo dacht ik lange tijd, maar ik kwam er achter dat een van de meisjes die ’s morgens langs ons huis naar de middelbare school fietsen haar dochter is. Bu Dwi was zwanger geworden toen ze bij haar getrouwde zus logeerde. Zo gaan die dingen…  Na de eerste consternatie werd gekozen voor een praktische oplossing: Bu Dwi bleef bij haar zus wonen en het kind groeide op samen met haar halfbroertjes en –zusjes. Na een korte periode van dorpsroddel deed iedereen er verder het zwijgen toe, zoals zo vaak in het dorp.

Ondanks haar handicap draagt Bu Dwi bij aan het gezinsinkomen. Ze werkt op het land als dagloner en ik zie haar vaak voorbij gaan, zwaar beladen met een berg gesneden gras voor het vee van de buren. Ook op een andere manier weet ze wat rupiahs te verdienen. Ze heeft een bijzondere gave, met haar gezonde linkerhand kan ze als geen ander pidjetten (pijet,pijat), de Javaanse manier van masseren. Ook is zij goed in kerok (ook wel geschreven als kerik), het met een muntje tot bloedens toe schrapen van de huid, iets dat wordt gezien als een remedie tegen verkoudheid en ander licht ongemak. Als de dorpelingen zich niet prettig voelen, laten ze Bu Dwi komen. Ze masseert iedereen – de vrouwen vinden het niet erg als zij hun mannen masseert, ondanks het akkefietje met de zwager wordt ze niet gezien als concurrentie.

Mijn vrouw laat haar geregeld roepen, vooral als de maandelijkse vrouwelijke last zich uit in buik- en hoofdpijn. Een tikar (gevlochten mat) wordt dan uitgelegd in de voorkamer en wat balsem, obat macan, of olie klaar gelegd. Nooit hoor je haar assalamu’alaikum bij binnenkomst, zoals gebruikelijk in het dorp, Bu Dwi staat altijd plotseling naast je – alsof een geest zich plotsklaps manifesteert. Ik schrik er elke keer weer van. Bij navraag kreeg ik alleen maar schouderophalen; Bu Dwi is nu eenmaal zoals ze is, de dorpelingen zijn haar eigenaardigheden gewend. Ik trek me tijdens de massage discreet terug naar de achterkamer en hoor het lachen en het kletsen in een rap Javaans dat zachter, langzamer en lager van toon wordt naarmate de roddels sappiger…

Arem-arem
Arem-arem

Na afloop ben ik weer welkom en zie hoe Bu Dwi haar mierzoete thee slurpt en gulzig aanvalt op de aangeboden kue of andere snoeperijen. Hoorbaar eet ze haar koekjes tot de laatste kruimel. Een keer heb ik eens geprobeerd om te kijken hoeveel ze wel niet weg kon kauwen en zorgde dat voor een schotel vol opgestapelde arem-arem (soort lemper) naast haar thee. Drie at ze meteen op en de rest verdween samen met de verdiende paar duizend rupiahs in haar traditionele Javaanse kleding voor later thuis. Als ik de deur achter haar gesloten en vastgemaakt heb, vind ik mijn vrouw ontspannen slapend op de tikar.. de magische hand van Bu Dwi heeft zijn werk gedaan.

“Het liep gisteravond weer storm bij het Rex Theater” , het succes van de film Terang Boelan

Terang_Boelan_p311

Een van de onderwerpen die er maar bekaaid af komen in de geschiedschrijving van de laatste jaren van Nederlands-Indië is het culturele leven in de kolonie. Indië kende zo bijvoorbeeld een eigen filmindustrie, iets dat in Nederland vrijwel vergeten is. Ik kom erop omdat ik, al zwervend over internet het volgende artikel uit de Indische Courant van 3 juni 1937 tegenkwam:

“De redacteur van het A. I. D.* te Batavia meldt dat Woensdagavond j.l. voor het A. N. I. F.** de eerste avondopnamen zouden worden gemaakt voor de speelfilm „Terang Boelan”. De buitenopnamen in Bantam zijn beëindigd en daarbij zijn enkele unieke massa-scènes vastgelegd welke van deze film een bizonder onderdeel vormen. Bij deze massa-scènes is zeer veel medewerking van de bevolking ondervonden en het was daarbij opmerkelijk, hoe velen zich meldden om als figuranten op te treden. Eén moment dreigde bij die opnamen een kink in den kabel te komen toen men bij bepaalde opnamen, zonder het te weten, zich bevond op militair terrein. Onmiddellijk moest met het werk worden gestopt. Toen echter den bevoegden autoriteit bleek, dat hier het A. N. I. F.-opnamen deed, waren de moeilijkheden spoedig uit den weg geruimd. Er is op weg naar de plaats der opnamen een ongeluk gebeurd met de autobus, waarin zich spelers en een deel van het technisch personeel bevonden. Een wiel van den wagen geraakte defect en de bus reed zijdelings tegen den berm op. Het mag bepaald een wonder heeten dat daarbij geen persoonlijke ongelukken voorvielen. Het blad vernam verder dat „Terang Boelan” wordt opgenomen naar gegevens van den heer A. Balink, terwijl de Inheemsche journalist Saeroen van dat scenario den Maleischen tekst vervaardigt.

Ten slotte kan het blad nog melden dat de première van deze speelfilm op 2 Augustus plaats heeft zoowel in Batavia als in Singapore.”

* A.I.D. – Algemeen Indisch Dagblad (De Preangerbode), ** A.N.I.F. – Algemeen Nederlandsch-Indisch Filmsyndicaat

 Terang Boelan was zeker niet de eerste filmproductie in Indië. Sinds 1926, toen de eerste lokaal gemaakte speelfilm Loetoeng Kasaroeng was uitgebracht, waren er een aantal films, voornamelijk gericht op de Chinese bevolkingsgroep, met wisselend succes verschenen. De films van The Teng Chun, trokken volle zalen, maar dat succes was een uitzondering: de Chinese markt was te klein en de grote massa van de inheemse bevolking voelde zich er niet toe aangetrokken. Toen daar bovenop de economische crisis van de jaren dertig verergerde, dreigde de Indische filmindustrie een stille dood te sterven.

Totdat Terang Boelan in de bioscopen verscheen. Van de producent van de film, Albert Balink, is niet veel bekend. Balink, een Nederlandse journalist verbonden aan Indische dagbladen als De Locomotief en de Sumatra Post, was, zo is te lezen in de schaarse flinters informatie op internet, een bijzonder groot filmliefhebber. Hij moet daarnaast zeker branie hebben gehad: in die barre economische tijden durfde hij zonder enige ervaring het filmavontuur aan te gaan. Hij had wel het geluk een drietal zeer kundige filmmakers van Chinese afkomst te hebben ontmoet, de Gebroeders Wong; aan al zijn films werkte de drie broers mee. Na een eerste geslaagde documentaire, De Merapi dreigt, ging Balink op zoek naar fondsen voor een eerste speelfilm en wist 75 duizend gulden bijeen te schrapen. Het resultaat was de film Pareh (1935), opgenomen in Indië en gemonteerd in Nederland. De film kreeg goede kritieken en was in Nederland zelfs een bescheiden succes, maar flopte jammerlijk in Indië. Zo zeer zelfs, dat het Balink en zijn productiebedrijfje ruïneerde. De mislukking was achteraf goed verklaarbaar, ook voor Balink zelf. Pareh was teveel een Europese film die de inheemse samenleving bekeek vanuit het gezichtspunt van de buitenstaander. Het kon de Javaan niet boeien.

Albert Balink
Albert Balink

Ondanks deze tegenslag ging Balink door. Hij richtte een nieuw productiebedrijf op, het Algemeen Nederlandsch-Indisch Filmsyndicaat en Balink verdiende geld door het maken van filmpjes voor bioscoopnieuws in Indië en Nederland. Het échte filmwerk bleef echter trekken en Balink maakte plannen voor een nieuwe speelfilm. De eerdere mislukking indachtig, moest de nieuwe film zo aantrekkelijk mogelijk worden voor het grote inheemse publiek: de Javaanse journalist Saeroen schreef het script, de vertelling – een mierzoet liefdesdrama – werd afgewisseld met bekende krontjongliedjes en als vrouwelijke hoofdrolspeler werd de toen al zeer bekende krontjong zangeres en stamboel actrice Roekiah aangetrokken. In de publiciteit gericht op de inheemse pers werd benadrukt dat het een puur Indonesische film was: gespeeld door pemain bangsa Indonesia en gesproken in 100% bahasa Indonesia.

Toen de film uitkwam – in december 1937 en niet in augustus zoals de Indisch Courant had gemeld – overtrof het resultaat alle verwachtingen:

Het liep gisteravond weer storm bij het Rex Theater voor de vertooningen van “Terang Boelan”, de eerste speelfilm van A.N.I.F. die Dinsdagavond haar succesvolle première beleefde. Zoowel in voor- als na-avond was het theater zo goed als uitverkocht.” (het Bataviaasch Nieuwsblad, 9 December 1937).

Niet alleen in Indië, ook in Brits Malaya (het Maleise schiereiland) was het succes buitengewoon. Binnen twee maanden tijd bracht de film daar 200 duizend Straits Dollars op, een klein fortuin. De film was tot in de jaren vijftig de grootste kaskraker van heel Zuidoost-Azië. Door het succes kreeg de filmindustrie een boost, zowel in Indië als in Malaya, een hausse in films die abrupt eindigde met de Japanse bezetting. Intussen had Albert Balink gedesillusioneerd de kolonie al verlaten om in Hollywood zijn geluk te beproeven. De geldschieters van het Algemeen Nederlandsch-Indisch Filmsyndicaat waren namelijk ondanks het succes niet gecharmeerd van de speelfilm en hadden het bedrijfje gedwongen zich verder toe te leggen op het maken van documentaires. Vonden zij Terang Boelan te ordinair, te veel gericht op de smaak van de “inlander”? Of was de nadruk op het Indonesische karakter tegen het zere been in koloniale kringen? We weten het niet.

Ik zou graag een youtube filmpje hebben geplaatst met scenes uit de film. Helaas, helaas.. het is niet mogelijk: Terang Boelan is – net zoal het gros van de films uit Nederlands-Indië – verloren gegaan. Of zou die film – ergens op zolder tussen de geërfde spullen van opa, of verscholen in een archief – toch nog ergens een slapend bestaan leiden? En als dat zo was, zouden er dan nog mensen in Nederland zijn die zulke stoffige filmblikken op hun waarde weten te schatten?

Het Japanse Bezettingsgeld

Japans bezettingsgeld in het Nederlands
Japans bezettingsgeld in het Nederlands

Verbazingwekkend. Terwijl de Japanse bezetter van Nederlands-Indië zich inspande om de Nederlandse taal uit het openbare leven te verwijderen, bleef de taal op het in omloop zijnde geld Nederlands. Pas in 1944 werd begonnen met uitgifte van geld in de Indonesische taal.

Waarom toch?

Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat ten tijde van de capitulatie veel Nederlands papiergeld als reserve aanwezig was bij de Javasche Bank, de instantie die verantwoordelijke was voor de geldcirculatie. Die geldvoorraad werd door de Japanse bezettingsautoriteiten in omloop gebracht. De Jong schrijft hierover: “Het was hun mogelijk geweest, de inwisseling van de biljetten van de Javase Bankt tegen Japanse biljetten voor te schrijven, maar dat lieten ze na.” (deel 11b, p. 506).

Sterker nog, begin maart 1942 werd door Generaal Imamoera in zijn allereerste verordening bepaald dat niet alleen het op de Gulden gebaseerde Japanse geld maar ook de oude Indische Gulden wettige betaalmiddelen zou zijn. Zou dat geweest zijn omdat hij beducht was voor monetaire verstoringen? Ik weet het niet, maar het zou zomaar kunnen, Artikel 1 van de Imamoera’s verordening luidde:

“Het Japanse leger zal streven naar het vergroten van de welvaart van de volkeren van Oost-Indië die van hetzelfde ras en afkomst zijn.. zulks in overeenstemming met de richtlijnen voor de gemeenschappelijke verdediging van Groot-Oost-Azië. In de bezette gebieden van Oost-Indië zal een militair bestuur worden ingesteld teneinde de openbare orde te handhaven en de bevolking onverwijld rust en tevredenheid te bezorgen.” (De Jong, deel 11b, p.189).

Mooipraterij natuurlijk, maar het was niet louter propaganda: Japan wilde geen chaos, zo aan het begin van de bezetting. Dus bleef daarom het geld in het Nederlands, met inbegrip van de Japanse biljetten? Het was zonder meer een absurditeit, maar het Japanse bestuur kende vele absurditeiten. “Though this be madness, yet there is method in’t.”

Desondanks bleef het publiek meer vertrouwen houden in het oude Indische geld dat werd opgepot. In mei 1945 kreeg men op de zwarte markt voor een Nederlands-Indisch biljet van duizend gulden een bedrag van 1600 gulden aan Japans geld. Naar de bezetting vorderde werd meer en meer Japans geld in omloop gebracht. Het leidde dat grote geldontwaarding. Er was geen duidelijk en voorzichtig monetair monetair beleid meer: in plaats van de rust en tevredenheid van de bevolking , was de Japanse aandacht gericht op het mobiliseren van de samenleving tot een zo groot mogelijke oorlogsinspanning.

Pramoedya Ananta Toer

Pram

Afgelopen week werd ik geraakt door een foto van Pramoedya Ananta Toer in het NRC. De ogen die genoeg gezien hebben voor wel een dozijn levens, een ernstig gezicht omgeven door de rook van de kretek die de schrijver bijna non-stop rookte.

“Tegenwoordig zijn er nog maar weinigen die Pramoedya Ananta Toer … lezen”, aldus het begeleidende artikel. Nu is het voor een schrijver nooit leuk om vergeten te worden, maar Pramoedya, nu al weer bijna negen jaar geleden overleden, zou het onverdraaglijk hebben gevonden. Het was hem nooit alleen om het schrijven te doen. Pramoedya schreef sober en realistisch, maar met de poëtische kwaliteit die de Indonesisch taal eigen is. Zijn werk was geen mooischrijverij. Pramoedya zag zijn schrijven niet als een doel op zich, maar als een middel – als een ambacht dat in dienst stond van waar het Pramoedya allemaal om te doen was: het vertellen van verhalen om het Indonesische volk te onderwijzen. Het zijn doorgaans niet de beste werken die worden geschreven vanuit een missie, maar de werken van Pramoedya staan als een huis: wat kon die man schrijven!

Pramoedya geloofde in een betere samenleving, in een onafhankelijk Indonesië waar iedereen werkelijk vrij was: zonder zorgen over de de volgende maaltijd en in staat onafhankelijk te denken over zichzelf en de omliggende wereld. Hierin kon hij star en rechtlijnig zijn, overtuigd van zijn gelijk en niet in staat tot zelfrelativering. Hij nam nooit een blad voor de mond, ook al schopte hij daarmee tegen de heilige huisjes van mensen met macht. Het heeft hem lelijk opgebroken. Zowel onder het Nederlandse bestuur als onder de regeringen van zowel Soekarno en Soeharto wachtte hem het boevenpak. Onder Soeharto had hij het het zwaarst, veertien jaar lang zat hij gevangen voordat hij in 1979 werd vrijgelaten. Huisarrest volgde en een publicatieverbod bleef van kracht. Pramoedya was en bleef onverzoenlijk, vergeven en vergeten kon hij niet na alles wat hem in het banningsoord Boeroe was overkomen. In de laatste decennia van zijn leven was hij een verbitterd man.

Pramoedya’s rechtlijnigheid en gebrek aan relativeringsvermogen hadden hem ook in conflict gebracht met andere schrijvers van zijn generatie. In de jaren vijftig had hij zich verbonden aan Lekra, een linkse organisatie die vond dat literatuur in dienst moest staan van Indonesië’s opbouw. Schrijvers die slechts schreven om het schrijven zonder hoger doel werden beschouwd als ‘burgerlijke’ schrijvers van wie het werk geen plaats had in het nieuwe Indonesië. Wat als een intellectuele discussie begon, werd al snel een politieke zaak met nare kantjes. De schrijvers die door Lekra werden bekritiseerd, kregen het onder Soekarno’s Geleide Democratie moeilijk. Bep Vuyk vluchtte naar Nederland, de schrijver/journalist Mochtar Lubis, en hij was niet de enige, verdween in de gevangenis. Pramoedya’s betrokkenheid zou hem de rest van zijn leven worden nagedragen.

Op Boeroe begon Pramoedya zijn medegevangenen het verhaal te vertellen van een Javaanse jongeman van adel die zich aan het begin van de twintigste eeuw ontpopte als een nationalistisch gezinde journalist. Het zou uiteindelijk resulteren in een tetralogie die in vertalingen over de hele wereld werd uitgebracht. Zou Pramoedya toen daar op Boeroe hebben kunnen bevroeden dat eens zijn werk zonder problemen in de Indonesische boekhandels zou liggen? Het zou zomaar kunnen, Pramoedya dacht in het groot en in weidse vergezichten – ondanks alle pesterijen en vernederingen in gevangenschap. De Nieuwe Orde zag in Pramoedya’s boeken een verborgen communistische boodschap. Dat was schromelijk overdreven, maar zijn werken inspireerden in de jaren tachtig en negentig een nieuwe generatie studenten, studenten die uiteindelijk Soeharto ten val brachten.

Maar dat was toen. Nu de boeken eindelijk vrij verkrijgbaar zijn, worden ze niet verkocht. Zelfs het gros van de studenten in Jakarta of Yogya zijn meer bezig met hun smartphones, FB en andere Social Media dan met het lezen van romans. De missie van Pramoedya – het onderrichten van zijn landgenoten in de eigen geschiedenis en de eigen sociale omstandigheden is nog steeds een ‘mission impossible’, misschien nu wel meer dan ooit in het verleden.